[Terug naar deel 1] Wat maakte een leerling tot een leerling? Het model lijkt Elisa te zijn geweest, een gelovige jood die van de profeet Elia het bevel kreeg hem te volgen op zijn zwerftocht, en daarbij zijn huis, familie en dagelijkse bezigheden op te geven om Elia te volgen en – uiteindelijk – op te volgen (1 Koningen 19.19-21).

Een leerling werd dus geroepen. Tenzij ik iets over het hoofd heb gezien, is geen van Jezus’ leerlingen op eigen initiatief naar hem toe gekomen. Wat opvalt is dat Jezus echt een bevel geeft. Het is mooi weergegeven op het schilderij van Caravaggio, dat de roeping toont van Levi (die sinds de Middeleeuwen wordt gelijkgesteld aan Mattheüs; Mc 2.14). Kijk hoe mooi het licht valt op Jezus’ gezicht, op zijn hand en op de geld-tellende tollenaar – en let op het raam boven Jezus’ hand, dat de uiterste prijs suggereert die verbonden was aan het leerlingschap. (Het doek met het martelaarschap van Jezus’ nieuwe leerling hangt er in de kerk van San Luigi in Rome tegenover.)

Caravaggio heeft het begrepen. Jezus verwachtte nogal wat van zijn leerlingen. Voor zover ik het kan overzien, vermelden de evangeliën geen leerlingen die thuis bleven, bijvoorbeeld om de gewijde literatuur te lezen, zoals de latere rabbijnen deden. Leerlingschap wilde zeggen dat je Jezus fysiek moest volgen, en niet slechts voor een paar weken, ook als je jezelf daarmee in gevaar bracht of vijandschap op de hals haalde. Wie zijn leven wilde behouden, zou het verliezen, maar wie het durfde te verliezen, zou het behouden. Zoals Lukas schrijft draaide het minder om studie dan om het ervaren van het Koninkrijk Gods (9.59-62).

Desondanks noemen de evangelisten nogal wat leerlingen. Jezus moet met een behoorlijk gezelschap op reis zijn geweest. Je begrijpt ineens waarom er een gemeenschappelijke kas was (een ‘groepspot’ in het jargon van moderne reisbureaus; Jh 13.29) en waarom de beheerder daarvan, Judas, een belangrijk iemand was, die op elk moment wist waar hij Jezus kon vinden.

En het brengt ons ook op de vraag waar het me al die tijd om te doen is geweest: wie was in staat een groot reisgezelschap op te vangen en te onderhouden? Vooruitlopend op mijn laatste post over de rol van vrouwen in het vroege christendom, kan ik er al op wijzen dat de evangeliën opmerkelijk veel vrouwen vermelden in Jezus’ gezelschap.

[wordt vervolgd]