Anders dan De Twaalf, die in het hele Nieuwe Testament maar vier keer worden vermeld, en de apostelen, die het met zo’n negentig vermeldingen moeten doen, zijn Jezus’ leerlingen in de evangeliën voortdurend aanwezig: het woord mathètès wordt 72 keer gebruikt door Mattheüs, 46 keer door Marcus, 37 keer door Lukas en 78 keer door Johannes.
Grappig genoeg heeft geen van de 28 vermeldingen in Handelingen betrekking op leerlingen van Jezus. Dan gaat het over leerlingen van bijvoorbeeld Petrus, Jakobus of Paulus. Nog opmerkelijker is dat het woord ontbreekt in de diverse brieven en de Openbaring. De driedubbele conclusie is dat ‘leerlingen’ niet de normale manier was waarop de eerste generatie christenen zichzelf aanduidde, dat de vermeldingen in de evangeliën dus een echo moeten vormen van het taalgebruik ten tijde van Jezus’ leven (en dus betrouwbaar zijn) en dat de auteur van Handelingen, zoals zo vaak, een continuïteit van Jezus naar Paulus heeft willen suggereren.
Het wordt nog vreemder als we zien dat het woord ook ontbreekt in de Joodse literatuur. In de Septuagintvertaling ontbreekt mathètès. In het oeuvre van Philo van Alexandrië (een tijdgenoot van Jezus) zijn slechts een handvol, zeer algemene vermeldingen opgenomen. Het Hebreeuwse equivalent, talmîd, komt in de Joodse Bijbel eenmaal voor (1 Kronieken 25.8). Het woord duikt ook al niet op in de Dode Zee-rollen en het ontbreekt ook in de apocriefe teksten. Pas bij Flavius Josephus en in de latere rabbijnse literatuur komen we leerlingen tegen.
Jezus was dus de eerste Jood met een herkenbare leerlingenschare.