Goed nieuws

Plaats een reactie

Trompetten schalden en men sloeg de trom
Gejuich weerklonk en luide jubelzangen
Er werden bonte slingers opgehangen
En een metalen stem riep vrolijk om:
“De trein die het station nu binnenrijdt,
Is door een vreemde samenloop op tijd!”

Driek van Wissen

Atheïstisch geloof

Plaats een reactie

Via de blog van Jim West kwam ik op een mij nog niet bekende Duitse biblioblog, waarop een kort stuk – in feite een recensie van een recensie – stond over hedendaags atheïsme.

Normaal gesproken stoor ik me altijd een beetje aan de discussie tussen religie en atheïsme, die in feite een debat tussen doven is. Ik herinner me iets te levendig hoe in de jaren negentig een Herman Philipse pleitte voor een seculiere ethiek omdat religie zou leiden tot moord en doodslag, waarop dan de destijds onbekende VU-professor J.P. Balkenende antwoordde met de opmerking dat de waarheid van de normen van de seculiere ethiek onberedeneerbaar waren, en dat de ongelovige dus ook geloofde.

Dat stoorde me, want als Balkenende hoogleraar was, wist hij vermoedelijk best dat hij ondertussen van definitie was gewisseld (namelijk van “georganiseerd geloof” naar geloof als “datgene wat we aannemen”). Ik zou grote twijfels over de bewering hebben gehouden dat Balkenende werkelijk hoogleraar was, als ik de afgelopen tien, vijftien jaar niet veel meer hoogleraren opzichtig dom heb zien doen.

Ik dwaal af. Terug naar het atheïsme. Dit keer trof een citaat van een zekere “Ron” me als wél doordacht, en ik geef het u hier ter overweging.

Die Neuen Atheisten glauben ebenfalls. Sie vertrauen auf die Ungeschichtlichkeit ihrer vom Positivismus und Pragmatismus geformten Argumente. Sie fangen nicht bei „Null“ an, sondern sind – das ist jetzt meine Perspektive – in einem naturalistischem Positivismus gefangen.(bron)

 

Maria en de moedergodinnen (slot)

2 reacties

Ik heb sinds juli geblogd over een reeks onderwerpen: de cultus voor Maria in het vroege christendom en de rooms-katholieke uitwerking daarvan; de moedergodinnen van de ‘nieuwe heidenen’, die vooral zijn geïnspireerd door de verzonnen natuurgodsdiensten van de laat-Victoriaanse periode; en ik zou nu nog iets moeten vertellen over wat feministische theologie wordt genoemd.

Om die te introduceren, heb ik de afgelopen weken geprobeerd aan te geven dat er vrouwen zijn geweest die Jezus volgden, vrouwen die in alles waren als de echte leerlingen, behalve in naam. Nu ik erover nadenk, schiet me te binnen dat de Emmaüsgangers in Marcus 16.12-13 naamloos zijn en dat in de daarvan afgeleide tekst van Lukas (24.19-35) één naamloos blijft, wat opmerkelijk is omdat de evangelisten mensen meestal wel bij naam en toenaam aanduiden. Zou een van de Emmaüsgangers een vrouw zijn geweest?

Het is maar een vraag, maar zelfs de meest behoudende christen kan in de vraag meegaan en erkennen dat ze overweging verdient. De relatie tussen Jezus en de vele vrouwen in zijn omgeving is een relevant onderwerp van discussie. Wie zich bezig wil houden met vrouwen in het vroege christendom, hoeft geen krankjoreme theorieën aan te hangen dat ‘de leerling die Jezus liefhad’ eigenlijk Maria Magdalena was en dat dit de baardeloze apostel was op Leonardo da Vinci’s fresco van het Laatste Avondmaal (dat niet de leerlingen toont maar De Twaalf).

Vrouwen in het vroege christendom zijn een belangrijk onderzoeksterrein. Het is altijd bekend geweest dat ze in de vroege kerk een voornamere rol speelden dan in andere godsdiensten. In een beroemde brief over een christenvervolging vertelt de Romeinse gouverneur Plinius de Jongere dat hij diakonessen heeft ondervraagd, een functie waarvoor in de heidense culten geen parallel bestaat. Langzaam maar zeker zien we dat de vooraanstaande, bijna gelijkwaardige positie van de vrouw in de vroege kerk teruggaat op Jezus’ eigen houding ten aanzien van vrouwen.

Dat is een conclusie van formaat. De man was bereid een schandaal te riskeren – zij het niet tot elke prijs. Vrouwen zonder chaperonne was een toelaatbare provocatie van de gevestigde orde en een voorafschaduwing van het Koninkrijk Gods; vrouwen ‘leerling’ of ‘apostel’ noemen, of ze rekenen tot De Twaalf, was te tactloos.

Het is jammer dat de bestudering van vrouwen in de Bijbel valt onder dat wat wordt aangeduid als ‘feministische theologie’, want tekstuitleg is alleen maar de eerste stap om tot theologie te komen, en de historische conclusie over de belangrijke rol van vrouwen tijdens Jezus’ openbare optreden is een gewoon feit, dat niet liberaal, socialistisch, christendemocratisch, nieuw-rechts, groen-links of feministisch is. Het etiket ‘feministische theologie’ heeft de zaak veel kwaads gedaan.

Jezus’ leerlingen (3)

Plaats een reactie

[Terug naar deel 1 en deel 2] Als een leerling iemand is die door Jezus werd geroepen, die hem volgde en bijdroeg aan de gemeenschappelijke kas, waren er dan ook vrouwen onder zijn leerlingen? Het Grieks staat het, net als het Nederlands, gewoon toe: als het meervoud hoi mathètai wordt gebruikt, kan dat op zowel mannen als vrouwen slaan. Toch zou je, als er vrouwelijke leerlingen waren, een roepingsverhaal verwachten of op z’n minst het woord ‘leerlinge’, mathètria. De gedachte dat er geen vrouwelijke leerlingen zijn geweest, is ook niet zo wonderlijk: het jodendom was destijds een mannenaangelegenheid.

En toch. Er zijn opvallend veel vrouwen rond Jezus. Het bekendste voorbeeld is de kruisiging en de daarop volgende graflegging. Er is geen redelijke twijfel dat dit authentieke informatie is. In de eerste plaats omdat we het vinden in onafhankelijke bronnen (Marcus en Johannes) en in de tweede plaats omdat het iets is dat een vroege christen, die zijn geloof zo vaak tegenover allerlei onbegrip moest rechtvaardigen, zou hebben verzonnen.  Dat je “een gekruisigde praatjesmaker” (om Lucianus te citeren) vereerde was schandalig, en je maakte je zaak er niet bepaald beter op door te zeggen dat er vrouwen bij de zaak waren betrokken.

Lukas verklaart waar die vrouwen vandaan kwamen . Dat was blijkbaar iets dat om een verklaring schreeuwde.

Kort daarop begon hij rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over het Koninkrijk van God te verkondigen. De Twaalf vergezelden hem, en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren: Maria uit Magdala, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna – en nog tal van anderen, die uit hun eigen middelen voor hen zorgden. (Lk 8.1-3)

Welbeschouwd is dit nog steeds een schokkend beeld. Als een rock ’n’ roll-band met een succesvolle, ongetrouwde zanger en twaalf muzikanten rondreist met drie vrouwen zonder echtgenoot, hebben we allemaal zo onze gedachten. Deze informatie kan niet zijn verzonnen, daarvoor is het te schandalig. Er waren dus vrouwen die deden wat Jezus’ leerlingen deden: hem volgen en bijdragen aan de kas. Ze zullen ze niet zijn meegereisd zonder Jezus’ goedkeuring.

Waren het ook officieel erkende leerlingen? Ik vermoed dat Jezus ze niet zo heeft genoemd. Deze man wilde het Koninkrijk Gods brengen en had daarbij alle steun nodig die hij kon vinden. Dat vrouwen als leerlingen met hem meereisden was één ding, dat ze geld meenamen was mooi meegenomen, maar ze erkennen als leerling ging te ver. Dat zou de kans op steun van anderen hebben verkleind. Dat laat onverlet dat er vrouwen waren die in alle opzichten, behalve in naam, golden als Jezus’ leerlingen.

Jezus’ leerlingen (2)

Plaats een reactie

[Terug naar deel 1] Wat maakte een leerling tot een leerling? Het model lijkt Elisa te zijn geweest, een gelovige jood die van de profeet Elia het bevel kreeg hem te volgen op zijn zwerftocht, en daarbij zijn huis, familie en dagelijkse bezigheden op te geven om Elia te volgen en – uiteindelijk – op te volgen (1 Koningen 19.19-21).

Een leerling werd dus geroepen. Tenzij ik iets over het hoofd heb gezien, is geen van Jezus’ leerlingen op eigen initiatief naar hem toe gekomen. Wat opvalt is dat Jezus echt een bevel geeft. Het is mooi weergegeven op het schilderij van Caravaggio, dat de roeping toont van Levi (die sinds de Middeleeuwen wordt gelijkgesteld aan Mattheüs; Mc 2.14). Kijk hoe mooi het licht valt op Jezus’ gezicht, op zijn hand en op de geld-tellende tollenaar – en let op het raam boven Jezus’ hand, dat de uiterste prijs suggereert die verbonden was aan het leerlingschap. (Het doek met het martelaarschap van Jezus’ nieuwe leerling hangt er in de kerk van San Luigi in Rome tegenover.)

Caravaggio heeft het begrepen. Jezus verwachtte nogal wat van zijn leerlingen. Voor zover ik het kan overzien, vermelden de evangeliën geen leerlingen die thuis bleven, bijvoorbeeld om de gewijde literatuur te lezen, zoals de latere rabbijnen deden. Leerlingschap wilde zeggen dat je Jezus fysiek moest volgen, en niet slechts voor een paar weken, ook als je jezelf daarmee in gevaar bracht of vijandschap op de hals haalde. Wie zijn leven wilde behouden, zou het verliezen, maar wie het durfde te verliezen, zou het behouden. Zoals Lukas schrijft draaide het minder om studie dan om het ervaren van het Koninkrijk Gods (9.59-62).

Desondanks noemen de evangelisten nogal wat leerlingen. Jezus moet met een behoorlijk gezelschap op reis zijn geweest. Je begrijpt ineens waarom er een gemeenschappelijke kas was (een ‘groepspot’ in het jargon van moderne reisbureaus; Jh 13.29) en waarom de beheerder daarvan, Judas, een belangrijk iemand was, die op elk moment wist waar hij Jezus kon vinden.

En het brengt ons ook op de vraag waar het me al die tijd om te doen is geweest: wie was in staat een groot reisgezelschap op te vangen en te onderhouden? Vooruitlopend op mijn laatste post over de rol van vrouwen in het vroege christendom, kan ik er al op wijzen dat de evangeliën opmerkelijk veel vrouwen vermelden in Jezus’ gezelschap.

[wordt vervolgd]

Jezus’ leerlingen (1)

Plaats een reactie

Anders dan De Twaalf, die in het hele Nieuwe Testament maar vier keer worden vermeld, en de apostelen, die het met zo’n negentig vermeldingen moeten doen, zijn Jezus’ leerlingen in de evangeliën voortdurend aanwezig: het woord mathètès wordt 72 keer gebruikt door Mattheüs, 46 keer door Marcus, 37 keer door Lukas en 78 keer door Johannes.

Grappig genoeg heeft geen van de 28 vermeldingen in Handelingen betrekking op leerlingen van Jezus. Dan gaat het over leerlingen van bijvoorbeeld Petrus, Jakobus of Paulus. Nog opmerkelijker is dat het woord ontbreekt in de diverse brieven en de Openbaring. De driedubbele conclusie is dat ‘leerlingen’ niet de normale manier was waarop de eerste generatie christenen zichzelf aanduidde, dat de vermeldingen in de evangeliën dus een echo moeten vormen van het taalgebruik ten tijde van Jezus’ leven (en dus betrouwbaar zijn) en dat de auteur van Handelingen, zoals zo vaak, een continuïteit van Jezus naar Paulus heeft willen suggereren.

Het wordt nog vreemder als we zien dat het woord ook ontbreekt in de Joodse literatuur. In de Septuagintvertaling ontbreekt mathètès. In het oeuvre van Philo van Alexandrië (een tijdgenoot van Jezus) zijn slechts een handvol, zeer algemene vermeldingen opgenomen. Het Hebreeuwse equivalent, talmîd, komt in de Joodse Bijbel eenmaal voor (1 Kronieken 25.8). Het woord duikt ook al niet op in de Dode Zee-rollen en het ontbreekt ook in de apocriefe teksten. Pas bij Flavius Josephus en in de latere rabbijnse literatuur komen we leerlingen tegen.

Jezus was dus de eerste Jood met een herkenbare leerlingenschare.

[wordt vervolgd]

Hoeveel apostelen waren er?

Plaats een reactie

Ik neem aan dat u de vraag uit de titel zult beantwoorden met ‘twaalf’. Maar zo gemakkelijk is het niet. Het Griekse apostolos betekent gewoon ‘gezant’, en wordt in het Nieuwe Testament vrijwel altijd in die betekenis gebruikt: een gezant van God of van Christus die optreedt om het evangelie te verkondigen. Zo wordt het bijvoorbeeld gebruikt door Marcus, de oudste evangelist (6.30 en 6.33; in de NBV wordt ook in 3.14 ‘apostel’ gebruikt, maar het ontbreekt in de betere handschriften).

De associatie met de groep aanhangers van Jezus die bekendstaat als De Twaalf (Mc 3.16-19; Mt 10.2-4; Lk 6.14-16; Hnd 1.13) ontbreekt bijna altijd. Sterker nog, er worden allerlei mensen aangeduid als apostel die zeker niet behoorden tot De Twaalf. Paulus is natuurlijk het meest opvallend, maar we kunnen ook kijken in de Romeinen 16.7, waarin Andronikos en Junia worden aangeduid als apostelen. Voor de auteur van Hebreeën 3.1 is er maar één apostel: de messias zélf, wiens rol natuurlijk is op te vatten als die van een gezant van God.

Paulus maakt zelfs een expliciet onderscheid tussen de apostelen en De Twaalf. In 1 Korintiërs 15.5-7 beschrijft hij aan wie Christus is verschenen: eerst aan Kefas, vervolgens aan De Twaalf, toen aan vijfhonderd broeders en zusters, dan aan Jakobus en tot slot aan alle apostelen. Hoe je het ook wendt of keert, De Twaalf en de Apostelen zijn voor Paulus niet dezelfde groep.

De voor ons zo vertrouwde associatie tussen de apostelen en De Twaalf gaat terug op Lukas-Handelingen. Neem Lk 6.13:

Toen de dag aanbrak, riep Jezus de leerlingen bij zich en koos twaalf van hen uit, die hij apostelen noemde.

Hier zijn de apostelen dus een subgroep van de leerlingen, en twaalf in getal. Maar nergens in Lukas-Handelingen komen we de uitdrukking ‘de twaalf apostelen’ tegen. Sterker nog, de auteur van Handelingen noemt Barnabas een apostel (14.14), zodat we moeten constateren dat voor deze schrijver De Twaalf weliswaar apostelen waren, maar dat er nog méér mensen waren die deze titel droegen.

Er zijn slechts twee passages waarin expliciet sprake is van ‘twaalf apostelen’. De ene is Matteüs 10.2 en de andere is Openbaring 21.14. Beide zijn heel laat geschreven, net als de tekst van Lukas-Handelingen. De conclusie is dat het woord ‘apostel’ vóór 70 een heel algemene betekenis had, en na 70 in toenemende mate werd geassocieerd met De Twaalf.

Belangrijk is tot slot dat uit Lukas 6.13 volgt dat de apostelen en de leerlingen niet dezelfden zijn. Daarover volgend keer, en daarna gaan we het weer hebben over Maria en de moedergodinnen.

Het synoptische probleem

Plaats een reactie

Alvorens verder te gaan met mijn hier begonnen verhaal over het vrouwelijke in het christendom, eerst een digressie over de apostelen, en vóór we daaraan beginnen, nog een heel andere kwestie: het synoptische vraagstuk. Een kwestie waarover watervallen van inkt zijn uitgestort. De teksten die ik (bij wijze van voorbeeld) wil behandelen zijn Lukas 8.26-34, Marcus 5.1-14 en Matteüs 8.28-8.33.

Lees ze even. Het is een kleine moeite.

Ze bieden evident hetzelfde verhaal. Daarom de naam synoptisch, wat kan worden vertaald als ‘de drie evangelisten die de zaken hetzelfde bekijken’. (Johannes heeft een heel eigen kijk.) Tot de weinige verschillen behoort dat Matteüs een andere plaatsnaam vermeldt, namelijk een plaats die dichter bij het Meer van Galilea ligt (Gadara, met grafvelden naar links; en het veel verderop gelegen Gerasa). Ook presenteert Matteüs twee bezetenen, terwijl Lukas en Marcus er maar één noemen. Hoe verklaren we de overeenkomsten en verschillen?

Ik zal de oplossing maar meteen verklappen: Matteüs en Lukas hebben Marcus gebruikt als bron. In dit geval zie je duidelijk dat Matteüs een geografische vergissing corrigeerde. Ook zien we dat hij zich ongemakkelijke voelde bij het grote aantal geesten, en om die reden het aantal bezetenen verdubbelde. Lukas vindt Marcus’ ontroerende beschrijving van de man in de grafsteden wat over-the-top, en maakt het allemaal wat minder rauw. Hij is ook degene die aan ‘het land van de Gerasenen’ behulpzaam toevoegt dat het ‘tegenover Galilea ligt’.

De ontdekking dat Matteüs en Lukas het evangelie van Marcus navertelden, gedaan in de negentiende eeuw, verklaart waarom deze drie schrijvers zoveel op elkaar lijken. Het heeft echter nóg twee gevolgen. Het ene is dat we in staat zijn de specifieke theologie van de drie te analyseren. Zo blijkt Lukas enkele door Marcus vermelde tegenstellingen met de mantel der liefde toe te dekken. Tegelijk blijkt Matteüs sommige tegenstellingen wat scherper aan te zetten.

Een andere verschil is vooral relevant voor de historicus/historica. Ten opzichte van het evangelie van Marcus zijn de evangeliën van Matteüs en Lukas, zoals men zegt, ‘elimineerbaar’. Marcus staat dichter bij de beschreven gebeurtenissen dan de andere twee; als die een ander oordeel geven, hebben ze het dus van horen zeggen en zijn ze van minder belang. Dat heeft enig belang als we het gaan hebben over de apostelen.

Maria en de moedergodinnen (6)

Plaats een reactie

Frazer, bij wie ik een maand of vier geleden was gebleven toen ik nog frequent blogde, had vergeten moeten raken, maar dat is niet gebeurd. Zijn ideeën appelleerden aan dichters als T.S. Eliot en romanschrijvers als Hubert Lampo. Strawinski baseerde Le sacre du printemps op de mensenoffertheorie. En archeologen begonnen de vrouwenbeeldjes die ze overal in Europa vonden, te interpreteren als moedergodinnen. Al voor 1925 wist iedereen die erin was geslaagd de spijkerschriftteksten te negeren – en dat was niet heel moeilijk – dat de cultus voor de moedergodin de oudste vorm van religie was.

Het is echter, zoals we al zagen, pure speculatie. Er is geen enkel bewijs dat er ooit natuurgodsdiensten hebben bestaan of dat moedergodinnen een hoofdrol in de cultus hebben gespeeld. In het eerste kwart van de twintigste eeuw redeneerde men nog dat deze godinnen in de voor-Griekse tijd hadden bestaan, maar we weten inmiddels voldoende over de Bronstijd om te weten dat de voornaamste godheden de beschermgod van de koning en de oorlogsgod waren. Was het dan een cultus uit het Neolithicum? Archeologen vinden bewijs voor het belang van de cultus van de twee genoemde godheden, niet voor een moedergodin. Nog verder terug, naar het Mesolithicum? U begrijpt: er is nogal wat goedgelovigheid nodig om te geloven in vrouwen- en natuurculten.

Helaas bestaat die goedgelovigheid volop, zelfs bij mensen die zich doorgaans geen knollen voor citroenen laten verkopen. Het lijkt me vooral een combinatie van drie factoren:

  1. Een anti-christelijk gevoel, dat op zich best mag bestaan – de Kerk schiet ten opzichte van haar idealen niet zelden tekort;
  2. Alternatieve ideeën, het meest invloedrijk verwoord door  Louis Pauwels en Jacques Bergier in Dageraad der magiërs, en later aangeduid als New Age;
  3. Het feit dat er met de combinatie van alternatieve en anti-christelijke ideeën grof geld verdiend kan worden.

Iedereen kent inmiddels de ideeën van Dan Brown (over Maria, het heilig bloed, de Graal en heilige huwelijken). Vooral jonge mensen – te oud om alles nog zomaar te geloven en onvoldoende opgeleid om kaf en koren te scheiden – zijn een makkelijk doelwit. Een orthodoxe gelovige zal van het Godinnenweekend zeggen dat het afgoderij is, maar dat is nog te aardig. Het klassieke heidendom had tenminste nog enige intellectuele bagage; de huidige neopagane ideeën missen zelfs die en lopen maar wat over hun gevoelens te neuzelen. Kassa.

Je zou bijna vergeten dat er ook serieuze opmerkingen zijn te maken over de plaats van de vrouw in het vroegste christendom en het Nieuwe Testament. Daarover volgend keer.

[Wordt vervolgd]

Waar werd oprechter trouw

Plaats een reactie

Waar werd oprechter trouw
Dan tussen man en vrouw
Ter wereld ooit gevonden?
Twee zielen, gloeiende aaneen gesmeed
Of vast geschakeld en verbonden
In lief en leed.

De band die ‘t harte bindt
Der moeder aan een kind,
Gebaard met wee en smarte,
Aan hare borst met melk gevoed,
Zo lang gedragen onder ‘t harte,
Verbindt het bloed.

Nog sterker bindt de band
Van ‘t paar, door hand aan hand
Verknocht, om niet te scheiden,
Nadat ze jarenlang gepaard
Een kuis en vreedzaam leven leidden,
Gelijk van aard.

Waar zo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel
En hart met hart tegader.
Die liefde is sterker dan de dood.
Geen liefde komt Gods liefde nader
Noch is zo groot.

Joost van den Vondel (1587-1679)

Dit blijft een van mijn favoriete gedichten. En vanaf volgende week wil ik weer bloggen over de Bijbel.

Oudere berichten

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.